Lage rugpijn
Ook bekend als: rugpijn
Algemeen
Pijn in het gebied tussen de onderste ribben en de bilplooien, met of zonder uitstraling naar de benen. In circa 95% van de gevallen is er geen specifieke oorzaak aanwijsbaar (aspecifieke lagerugpijn). De overige 5% bestaat uit specifieke oorzaken: lumbosacraal radiculair syndroom (LRS), wervelfractuur, maligniteit, axiale spondyloartritis, spondylodiscitis/epiduraal abces, spondylolisthesis, cauda-equinasyndroom.
Zeer frequent: 60-90% van de westerse bevolking maakt minstens één episode door; incidentie in de huisartsenpraktijk circa 41 per 1000 patiënten per jaar. Beloop meestal gunstig: bij 50-75% (grotendeels) herstel binnen 6 weken, maar >50% recidiveert binnen een jaar en 25-50% ontwikkelt in meer of mindere mate chronische klachten (≥12 weken).
De kernvraag aan het bed is niet ‘welke structuur doet pijn’, maar: zijn er aanwijzingen voor een specifieke oorzaak? Zo niet, dan is het beleid activerend en is beeldvorming niet geïndiceerd.
Anamnese
Spoed: direct uitsluiten
Cauda-equinasyndroom: rijbroekanesthesie, urineretentie of incontinentie voor urine/feces, (bilaterale) motorische of sensibele uitval, hevige radiculaire pijn, recente ingreep aan de rug (<3 dagen; bij antistolling <14 dagen)
Geruptureerd aneurysma aortae abdominalis: leeftijd >40 jaar, acuut hevige pijn onafhankelijk van houding of bewegen, bekend AAA, tekenen van bedreigde circulatie (duizeligheid, transpireren, collapsneiging)
Standaard uitvragen
Duur, wijze van ontstaan (trauma?), beloop
Lokalisatie, uitstraling (dermatomaal? één been? tot onder de knie?), aard en intensiteit (NRS)
Invloed van rust, bewegen en houding; nachtelijke pijn; ochtendstijfheid
Mate van belemmering thuis, op het werk en in vrije tijd; werkverzuim; contact met bedrijfsarts
Voorgeschiedenis: eerdere episodes en beloop; maligniteit; recente ingreep aan de wervelkolom (operatie, lumbaalpunctie, epidurale injectie); corticosteroïdgebruik; antistolling; osteoporose
Zelfzorg en behandeling tot nu toe
Ideeën, zorgen en verwachtingen van de patiënt (ongerustheid, wens tot beeldvorming)
Kenmerken die op een specifieke oorzaak wijzen
Vraag hier actief naar bij hevige pijn, maligniteit in de voorgeschiedenis, recente ingreep aan de wervelkolom en/of een onverklaarbaar langdurig of progressief beloop:
Algehele malaise, onverklaard gewichtsverlies, koorts, nachtzweten
Krachtverlies, sensibiliteitsstoornissen, mictieklachten
Uveïtis anterior, perifere artritis, enthesitis, psoriasis, inflammatoire darmziekte, positieve familieanamnese voor spondyloartritis
Intraveneus drugsgebruik, immuungecompromitteerde status
Zie Differentiaaldiagnose voor de kenmerken per aandoening. Eén enkel kenmerk is zelden doorslaggevend; een combinatie van kenmerken, zeker bij een afwijkend beloop, maakt een specifieke oorzaak waarschijnlijker.
Herstelbelemmerende factoren (‘yellow flags’)
Nagaan bij klachtenduur ≥3-4 weken of bij frequent recidiveren:
Angst voor pijn en letsel bij bewegen; vermijdingsgedrag
Passieve copingstijl, gevoelens van hulpeloosheid
Fixatie op een ernstige lichamelijke afwijking; herhaald vragen om specialistisch onderzoek
Veelvuldige behandelingen zonder effect
Werkverzuim, werkloosheid, lage werktevredenheid
Psychische stress, angststoornis, depressie
Lichamelijk onderzoek
Bij aspecifieke lagerugpijn zonder anamnestische alarmsymptomen is het lichamelijk onderzoek vooral bedoeld om een indruk te krijgen van de ernst en de bewegingsbeperking; de diagnostische waarde van individuele bevindingen (palpatie, lateroflexie, lordose) is laag.
Basisonderzoek
Observeer hoe de patiënt beweegt, opstaat en loopt (antalgische houding, ernst van de klachten)
Inspectie: ernstige houdingsafwijkingen (scoliose, versterkte kyfose, verstreken lordose, staan met gebogen heupen/knieën bij spondylolisthesis)
Lokaliseer de pijn; palpatie processus spinosi (trapje? kloppijn/asdrukpijn?) en paravertebrale musculatuur
Bewegingsonderzoek: anteflexie (vinger-vloerafstand), retroflexie, lateroflexie
Bij uitstraling in het been of verdenking LRS
Proef van Lasègue (gestrekt been heffen in rugligging; positief bij uitstralende pijn in het been onder de knie, meestal bij <60-70 graden) en gekruiste Lasègue (pijn in het aangedane been bij heffen van het contralaterale been: lage sensitiviteit, hoge specificiteit)
Omgekeerde Lasègue / femoral stretch test (buikligging) alleen bij verdenking hoog lumbaal radiculair syndroom (L2-L4: pijn in lies of laterale zijde bovenbeen)
Motoriek: extensie grote teen (L5), dorsaalflexie voet (L4/L5), plantairflexie (S1), knie-extensie (L3/L4); op tenen en hakken lopen; let op links-rechtsverschillen
Reflexen: kniepeesreflex (L3/L4), achillespeesreflex (S1)
Sensibiliteit per dermatoom: mediale onderbeen (L4), laterale onderbeen/voetrug/grote teen (L5), laterale voetrand/zool (S1)
Bij enige verdenking cauda equina: sensibiliteit rijbroekgebied, anale sfinctertonus, blaasretentie (bladderscan)

Bij verdenking specifieke oorzaak
Temperatuur, algemene indruk (ziek, vermagerd)
Abdomen: pulserende massa, pulsaties aa. femorales (AAA); buikonderzoek bij verdenking abdominale origine
Heuponderzoek (coxartrose kan zich als lagerugpijn presenteren)
Bij oudere patiënt met plots ontstane pijn: lokale kloppijn thoracolumbaal (wervelfractuur)
Aanvullend onderzoek
Aspecifieke lagerugpijn
Beeldvormend en laboratoriumonderzoek worden niet aanbevolen. Degeneratieve afwijkingen (discopathie, bulging, facetartrose, zelfs discushernia) komen bij ≥35% van asymptomatische mensen voor, hebben geen relatie met de klachten en geen therapeutische consequentie. Vroege beeldvorming verbetert de uitkomst niet en leidt tot meer zorgconsumptie, angst en onnodige ingrepen. Leg dit uit aan de patiënt die om een foto vraagt.
Lumbosacraal radiculair syndroom
Ook bij een LRS vraagt de huisarts geen beeldvorming aan. De klinische diagnose volstaat; MRI (voorkeur boven CT) is pas geïndiceerd via de neuroloog wanneer een operatie wordt overwogen of bij verdenking op een andere oorzaak dan discushernia. Conventionele röntgenfoto’s tonen geen disci of wortelcompressie en hebben geen rol.
Bij vermoeden specifieke oorzaak
Wervelfractuur: röntgen thoracale en/of lumbale wervelkolom (AP en lateraal)
Maligniteit: BSE en röntgen sluiten een maligniteit onvoldoende uit (röntgen sensitiviteit ~0,6; BSE ≥20 mm/h sensitiviteit ~0,78) — verwijs voor MRI in plaats van zelf uitsluiten
Axiale spondyloartritis: HLA-B27, BSE/CRP en röntgen SI-gewrichten zijn in de eerste lijn onvoldoende sensitief om uit te sluiten; verwijs naar reumatoloog
Spondylodiscitis/epiduraal abces, epiduraal hematoom, cauda-equinasyndroom: spoed-MRI in de tweede lijn; bij verdenking infectie tevens bloedkweken, CRP, leukocyten [VERIFIEER: lokaal SEH-protocol]
AAA: spoedecho/CT-angio in de tweede lijn
[AFBEELDING: voorbeeld MRI lumbale wervelkolom met discushernia L5-S1 en wortelcompressie, sagittaal en axiaal — echte, gelicentieerde afbeelding invoegen via de editor]
Differentiaaldiagnose
Lumbosacraal radiculair syndroom
Dermatomaal uitstralende pijn in één been (meestal tot onder de knie), waarbij de beenpijn op de voorgrond staat boven de rugpijn; eventueel parese, sensibiliteitsstoornis en/of verlaagde reflex herleidbaar tot één (soms twee) wortel(s). Toename bij drukverhogende momenten (hoesten, niezen, persen). Positieve (gekruiste) Lasègue en/of vinger-vloerafstand >25 cm maken de diagnose waarschijnlijker; negatieve testen sluiten LRS niet uit. Meestal discushernia L4-L5 of L5-S1; bij ouderen ook laterale recessus- of wervelkanaalstenose.
Neurogene claudicatio (wervelkanaalstenose)
Oudere patiënt; pijn, vermoeidheid of doof gevoel in (meestal) beide benen na enige tijd lopen of staan, verdwijnend na >15 minuten zitten of vooroverbuigen (fietsen gaat goed). Radiculaire provocatietesten meestal negatief. Onderscheid met vasculaire claudicatio: perifere pulsaties, klachten nemen bij stilstaan wel/niet af.
Specifieke oorzaken van lagerugpijn
Aandoening | Kenmerken / risicofactoren |
|---|---|
Maligniteit (wervelmetastasen; vooral mamma-, prostaat-, longcarcinoom) | Maligniteit in voorgeschiedenis (sterkste voorspeller), leeftijd >50 jaar, continue pijn onafhankelijk van houding, nachtelijke verergering, bilaterale neurologische uitval, malaise, nachtzweten, onverklaard gewichtsverlies |
Wervelfractuur (traumatisch of osteoporotisch) | Leeftijd >65 jaar, vrouw, hoogenergetisch trauma, langdurig corticosteroïdgebruik, plots ontstaan, versterkte thoracale kyfose, lengtevermindering, laag lichaamsgewicht, heupfractuur bij ouders |
Axiale spondyloartritis | Begin <45 jaar, klachtenduur >3 maanden, geleidelijk ontstaan, nachtelijke pijn met verbetering na opstaan, ochtendstijfheid, verbetering bij bewegen en niet in rust, sterke respons op NSAID’s (<48 uur), wisselende bilpijn, uveïtis/psoriasis/IBD/artritis/enthesitis, positieve familieanamnese |
Spondylolisthesis | Begin <20 jaar, palpabel trapje laag lumbaal, neurologische uitval; meestal asymptomatisch en beleid als bij aspecifieke lagerugpijn |
Spondylodiscitis / epiduraal abces | Koorts, koude rillingen, nachtzweten, onvoldoende reactie op (hoog gedoseerde) analgetica, snel progressieve uitval, iv-drugsgebruik, immuungecompromitteerd, recente rugoperatie/epidurale injectie/lumbaalpunctie. Koorts is vaak afwezig (sensitiviteit laag) |
Spinaal epiduraal hematoom | Antistolling of stollingsstoornis, snel progressieve uitval, recente ingreep aan de rug |
Cauda-equinasyndroom | Rijbroekanesthesie, urineretentie/incontinentie, bilaterale uitval, hevige radiculaire pijn; meestal grote mediane discushernia |
Geruptureerd AAA | Leeftijd >40 jaar, acuut hevige pijn onafhankelijk van bewegen, bekend AAA, hemodynamische instabiliteit, zwakke/afwezige femoralispulsaties |
Overig
Abdominale/retroperitoneale pathologie: pyelonefritis, nierstenen, pancreatitis, appendicitis, gynaecologische oorzaken
Heuppathologie (coxartrose), SI-gewrichtsklachten
Bekkenpijn tijdens en na zwangerschap
Beleid
Spoedverwijzing
Verwijs met spoed naar SEH/neuroloog bij vermoeden cauda-equinasyndroom, geruptureerd AAA, spondylodiscitis/epiduraal abces, epiduraal hematoom, of bij toename van pijn en/of uitval na een recente ingreep aan de rug. Bij snel progressieve uitval en cauda equina telt elk uur: geen afwachtend beleid.
Aspecifieke lagerugpijn: stappenplan
Het beleid is gericht op bewegen en het oppakken of continueren van dagelijkse activiteiten (inclusief werk), niet op het verdwijnen van de pijn. Ga naar de volgende stap bij onvoldoende verbetering van het functioneren; het tempo hangt af van ernst, klachtenduur, reactie op eerdere behandeling, motivatie en herstelbelemmerende factoren.
Voorlichting en advies (eerste weken). Uitleg: precieze oorzaak onbekend, spieren/banden/gewrichten functioneren tijdelijk niet optimaal; pijn bij bewegen betekent geen schade; gaat meestal binnen enkele weken over, recidief is normaal. Adviseer in beweging te blijven en door te gaan met activiteiten en werk. Bedrust is niet zinvol; bij hevige pijn hooguit enkele dagen zo nu en dan enkele uren rust. Leg uit waarom beeldvorming niet zinvol is. Verwijs naar Thuisarts.nl.
Opbouw van activiteiten (klachtenduur ca. 3-4 weken). Tijdcontingente in plaats van pijncontingente aanpak: stel samen een schema op met vaste termijnen voor het uitbreiden van activiteiten en werkhervatting, ongeacht de ervaren pijn (bijv. ‘in 14 dagen terug naar normaal’, ‘na een week weer aan het werk’, controle na 3 weken). Bij bewegingsangst eventueel eerder fysio-/oefentherapeut ter begeleiding.
Oefentherapie (klachtenduur ca. 6 weken). Fysio- of oefentherapeut met een activerende, tijdcontingente aanpak; geen voorkeur voor een specifieke vorm. Yoga/pilates niet aanbevolen maar ook niet ontraden.
Gedragsmatige behandeling (klachtenduur ca. 12 weken). Psychosomatisch fysio-/oefentherapeut: cognitief-gedragstherapeutisch, gericht op activiteitenniveau, disfunctionele gedachten en coping.
Multidisciplinaire revalidatie. Bij chronische klachten met hoge ziektelast, uitblijvende werkhervatting en in stand houdende psychosociale factoren.
Medicamenteus
Alleen ter ondersteuning van het activerende beleid; de werkzaamheid is beperkt. Volg de NHG-Standaard Pijn:
Stap 1: paracetamol
Stap 2: NSAID toevoegen (bij voorkeur kortdurend; let op contra-indicaties: nierfunctie, cardiovasculair risico, maagbescherming bij risicofactoren)
Opioïden alleen kortdurend bij hevige pijn die niet reageert op bovenstaande; spierrelaxantia (benzodiazepinen) worden niet aanbevolen
Niet aanbevolen
Bedrust, beeldvorming, tractie, TENS, corset, injecties (facet, SI, epiduraal) en radiofrequente behandeling bij aspecifieke lagerugpijn; manuele therapie heeft geen aangetoonde meerwaarde boven oefentherapie.
Lumbosacraal radiculair syndroom
Beloop meestal gunstig: bij ~75% herstel van de beenpijn binnen 3 maanden zonder operatie; slechts 2-5% wordt uiteindelijk geopereerd
Conservatief: voorlichting, in beweging blijven (bedrust versnelt herstel niet), adequate pijnstilling volgens stappenplan; bij neuropathische pijncomponent eventueel neuropathische pijnmedicatie [VERIFIEER: keuze en indicatie volgens NHG-Standaard Pijn]
Instrueer over alarmsymptomen: toename parese, rijbroekanesthesie, mictie-/defecatiestoornissen
Controle na 1-2 weken en daarna elke 2-4 weken; bepaal wortelniveau alleen als dit consequenties heeft
Verwijs naar neuroloog: bij ernstige of progressieve parese (MRC <4) [VERIFIEER: drempel volgens lokale afspraak], bij onhoudbare pijn ondanks optimale medicatie, of bij onvoldoende herstel na 6-8 weken conservatief beleid als de patiënt operatie overweegt
Operatie (discectomie) versnelt de pijnverlichting maar geeft na 1-2 jaar geen beter resultaat dan afwachten; bespreek voor- en nadelen
Verwijzing bij specifieke oorzaak
Vermoeden maligniteit: internist-oncoloog of orthopeed binnen 1 week
Vermoeden axiale spondyloartritis: reumatoloog
Symptomatische spondylolisthesis, wervelfractuur met uitval of instabiliteit: orthopedisch chirurg
Werkgerelateerde klachten of (dreigend) verzuim: bedrijfsarts
Controle
Instrueer de patiënt terug te komen bij: sterke toename van pijn of disfunctioneren; aanhoudende ernstige pijn na 1 week; geen verbetering van het functioneren na 3 weken; nieuwe neurologische klachten of mictieklachten. Bij elk contact: opnieuw alert zijn op kenmerken van een specifieke oorzaak, en bij onvoldoende verbetering nagaan of er herstelbelemmerende factoren zijn.
Bronnen
NHG-Standaard Aspecifieke lagerugpijn (M54), tweede herziening, 2017
NHG-Standaard Lumbosacraal radiculair syndroom (M55), tweede herziening, 2015
Richtlijn Lumbosacraal Radiculair Syndroom, NVN / Richtlijnendatabase (FMS), 2020
NHG-Standaard Pijn (medicamenteuze stappen)
Ketenzorgrichtlijn Aspecifieke lage rugklachten (KNGF/NHG/NOV/NVAB/CBO), 2010